9 juni
Zet ‘m op, Blue Wave!
Het kan dus domweg niet. Of laat ik het zo zeggen: de kans dat Oymyakon in Oost-Siberië, het koudste dorp op aarde waar het in januari overdag gemiddeld 36 graden vriest, door een hittegolf wordt getroffen is groter (ik wilde eerst schrijven dat de kans dat het gezonde verstand bij Rob Jetten terugkeert groter is, maar je moet altijd iets van een mogelijkheid open houden).
En toch, hè. En toch hoop ik van ganser harte dat het nationale team van Curaçao na de eerste ronde van het WK Voetbal nog in de strijd zal zijn. Toegegeven, het zou met alle voetbalwetten spotten. Eerste wedstrijd: Duitsland, titelkandidaat. Tweede wedstrijd: Ecuador, in de Zuid-Amerikaanse voorronden beter dan Brazilië. Derde wedstrijd: Ivoorkust, dat vorige week nog van een andere favoriet van het wereldkampioenschap won, te weten Frankrijk.
Ga er maar aan staan, als de kleinste WK-deelnemer ooit (Curaçao heeft 185.000 inwoners, 0,0022% van de wereldbevolking, het doet mij zomaar denken aan Rob Jettens bijdrage van 28 miljard euro aan de bestrijding van de klimaatverandering). Maar wonderen bestáán, geloof me. Bel het Medisch Bureau van Lourdes (CMIL) maar. Daar hebben ze sinds de negentiende eeuw tot nu toe zeventig onverklaarbare gevallen genoteerd. Botbreuken die binnen in een uur aan elkaar groeien, dat soort dingen. Daar kan dus best een 71ste wonder bij: Curaçao door naar de volgende ronde. Al zou dat het equivalent zijn van de spontane genezing van een verbrijzelde bekkenfractuur.
Ach, laat me even.
Ik heb mijn hart nu eenmaal aan Curaçao verpand.
Ik verbleef er, de afgelopen twee weken. Sterker nog, ik verbleef er in het hotel waar Team Curaçao eveneens vijf dagen logeerde voordat het maandag naar het trainingskamp in Boca Raton (Florida) vertrok. Daar, in Boca Raton, heb ik óók weleens gelogeerd. Met mij liep het toen heel goed af. Ze heette Dolly en toen ik daarover aan onze Curaçaose beachbar in het bijzijn van Dick Advocaat klassiek manosferisch zat te pochen (we go way back, Dickie en ik, ik heb hem zelfs nog uit hoofde van mijn toenmalige functie als een driftige middenvelder zien acteren bij Roda JC), noteerde hij dat toch even in zijn peptalkboekje. Beter iets dan niets, nietwaar. En Dolly had iets.
Wat een feest, op dat heerlijke Caraïbische eiland. De halve bevolking liep er in het blauw en geel rond en de blijdschap op straat was 24 uur per dag net zo groot als bij ons op die ene dag op 26 juni 1988 in de Amsterdamse grachten nadat we Europees kampioen waren geworden. En wat een leuke gasten, die Curaçaose voetballers. Ze zagen weliswaar bijna allemaal het levenslicht in Nederland, maar hun verbondenheid met het eiland van hun (voor)ouders is groot en als ze ook maar even naast hun schoenen dreigden te gaan lopen greep Dickie succesvol in. En ze dansten de hele dag, met gebruikmaking van hun ghettoblasters.
Hoe leuk voetbal kan zijn realiseerde ik mij op Curaçao weer.
Het is inmiddels ernstig met mij gesteld hoor, vergis je niet: ik weet zelfs niet meer welke ploeg ik zou aanmoedigen als Oranje tegen Curaçao zou spelen.
Nou ja, eigenlijk weet ik het wel.
Zet ‘m op, Blue Wave!11 juni
Neem nooit je werk mee naar het strand
Wat je als kantlijnkrabbelaar nooit moet doen, indien je voor twee weken met vakantie in de overzeese gebiedsdelen vertoeft: reminders naar jezelf sturen voor wanneer je thuis weer aan de slag gaat.
Ik deed dat dus wel.
Grrr.
Ik heb veel respect voor stukadoors. Laatst vroeg ik aan een van hen hoeveel kilo Knauf hij dagelijks gemiddeld tegen het plafond kwakt. Inclusief water grofweg zo’n 250 kilo, antwoordde hij. „Ze zouden jullie allemaal een lintje moeten geven”, sprak ik vol bewondering. Maar dit is natuurlijk óók zo: een stukadoor die op een strand in Curaçao ligt, houdt zich over het algemeen niet echt bezig met de vraag of hij bij zijn volgende klus roodband, geelband of goldband gaat gebruiken. Die klokt nog een Blue Wave Amstel Bright naar binnen en denkt terecht: na mij de zondvloed.
Ach, was ik maar zo.

