#41 Hoe een doodgewone ontmoeting ongewoon kan eindigen
Hopende dat de naam van de man mij te binnen zal schieten pas ik vergeefs een klassieke truc toe. Twee dagen later doe ik een schrikbarende ontdekking. Waar gebeurd, deze week precies 25 jaar geleden.
Vrijpost - 41
Op zaterdagmiddag 17 februari 2001 doen mijn vrouw en ik boodschappen in Bergen, Noord-Holland. Zoals gewoonlijk op de eerste dag van het weekeinde is het druk in het centrum van het chique kunstenaarsdorp. Ook bij de Aldi, nee, voorál bij de Aldi: oud geld winkelt goedkoop.
“Ga jij maar alleen, ik wacht hier wel op je”, zeg ik.
“Prima”, zegt ze.
Liever nog zou ik bij café d’Alderliefste gaan zitten, een paar straten verderop.
Maar ja.
Terwijl ik te midden van het gekrioel rustig op het trottoir op mijn vrouw sta te wachten, word ik plots aangeroepen door iemand aan de overkant van de Jan Oldenburglaan, bij de viszaak van Heusy: “Hé, Rob!”
Ik draai die kant op en zie een blonde man van mijn leeftijd, die me vaag bekend voorkomt, met een brede lach op zijn gelaat de straat in mijn richting oversteken. Het is iemand van vroeger, van de middelbare school, van de voetbalclub of de zwemvereniging, dat herinner ik mij nog wel. Maar hoe hij heet? Het kwartje wil niet meteen vallen.
“Je kent mij vast niet meer”, zegt hij, nadat hij mij vriendelijk de hand heeft geschud.
Ik vind het vervelend voor hem en pas daarom een klassieke truc toe: ik doe net alsof dat wél het geval is: “Tuurlijk ken ik je nog.” Ik reken er daarbij op dat zijn naam in de loop van het gesprek, zodra we enige herinneringen hebben uitgewisseld, uit de spelonken van mijn geheugen zal opborrelen. Dat is me al vaker gelukt.


